Een filter is een snelle manier om een foto een bepaalde sfeer te geven. Met één tik wordt een grijze dag warmer, een zomeravond goudkleurig of een portret zachter. Dat is handig en soms echt mooi. Maar filters hebben ook een valkuil: als je ze te sterk gebruikt, verdwijnt het karakter van de foto. Alles begint op elkaar te lijken, en de plek en het moment die je wilde bewaren, verdwijnen achter een kleurlaagje.
Kies bewust en zet de sterkte lager
Begin altijd met het beeld zoals het is. Kijk of het al goed is, want soms is een filter helemaal niet nodig. Als je toch een filter wilt proberen, zet de sterkte dan lager dan de standaardstand. Vaak is de helft al voldoende om de sfeer te versterken zonder dat het opvalt. Kijk daarna nog eens naar het origineel en vraag je af of het echt beter geworden is.
Let vooral op mensen. Huidtinten zijn erg gevoelig voor kleurfilters: een te sterk warm filter maakt gezichten oranje, een koud filter maakt ze grauw en ziek. Als een gezicht er niet meer uitziet zoals de persoon zelf, is het filter te sterk. Wie zijn eigen foto ziet en zichzelf niet herkent, is meestal niet blij. Een natuurlijk portret blijft altijd een prachtige herinnering.
Kies een filter dat bij het beeld past. Een warme tint past bij een avondzon of een gezellige kamer, een koelere bij een winterse dag. Een zwart-wit filter werkt bij foto's met sterke vormen en contrasten. Een kleurrijke markt of een bloemenveld wint zelden bij een filter dat alles dempt. Denk na over wat de foto vertelt, en laat het filter dat verhaal ondersteunen.
Blijf consequent binnen één reeks. Als je een aantal foto's van dezelfde uitstap deelt, gebruik dan hetzelfde soort filter, of geen enkele. Anders zien ze er onrustig uit, alsof ze uit verschillende werelden komen. Toch hoeft niet elke foto een filter te krijgen. Een foto die je zo laat, zoals hij is, heeft een eerlijkheid die niet te verbeteren valt. Soms is minder gewoon meer.